Algemene vereisten voor een beëindigingsovereenkomst

Het komt aan op de uitleg van de beëindigingsovereenkomst. Een andere vraag is welke status een beëindigingsovereenkomst heeft. Willen beide partijen een dergelijke overeenkomst afsluiten met het oogmerk om een onzekerheid of een geschil te beëindigen of te voorkomen, dan rijst de vraag of er sprake is van een vaststellingsovereenkomst. Daarna wordt aandacht besteed aan de de rechtsgevolgen van de beëindigingsovereenkomst.

Algemene vereisten voor een beëindigingsovereenkomst

Een beëindigingsovereenkomst komt in beginsel tot stand op het moment dat de aanvaarding van een dergelijke overeenkomst degene die het aanbod heeft gedaan, bereikt (zie art. 3:37 lid 3 BW). Een dergelijk aanbod is in beginsel te herroepen (zie art. 6:219 lid 1 BW). Op https://arbeidsrechtadvocaat.org/de-vaststellingsovereenkomst-beeindigingsovereenkomst-in-het-ontslagrecht/ is uitgebreide informatie te vinden.

Zolang het aanbod niet is aanvaard en de schriftelijke aanvaarding nog nie: is verzonden, kan het aanbod worden ingetrokken (zie art. 6:219 lid 2 BW). De herroeping van het aanbod is niet aan een bepaalde vorm gebonden (zie art. 3:37 lid 1 BW). Bovendien is nog van belang dat degene die het op een beëindiging aanstuurt niet alleen zijn werkelijke wil daartoe verklaart, maar ook dat er sprake is van een verklaring die door de andere partij als zodanig mag worden opgevat (zie art. 3:33 en 3:35 BW).

Tot slot is het mogelijk dat een geldig tot stand gekomen beëindigingsovereenkomst kan worden vernietigd, namelijk wanneer een van de partijen bij het afsluiten van de overeenkomst heeft gehandeld onder invloed van een zogenoemd wilsgebrek

Een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’

Omdat het van werknemerskant gaat om een vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn daar voor hem zeer ingrijpende gevolgen aan verbonden. Niet de onbelangrijkste daarvan is het verlies van de werkkring en het daarmee samenhangen de verlies van inkomsten.

Vanwege deze vergaande consequenties eist de Hoge Raad dat niet al te snel mag worden aangenomen dat de verklaringen en gedragingen van de werknemer zijn gericht op het instemmen met de beëindigingsovereenkomst. Om die
reden kan de werknemer alleen aan het instemmen met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden gehouden als er sprake is van een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’ daarover.

De ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’ hoeft overigens niet schriftelijk te zijn.’ Zoals in beginsel voor iedere verklaring geldt, kan ook het instemmen met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vormloos gebeuren en in een of meer gedragingen besloten liggen (zie art. 3:37 lid 1 BW). Zo mocht de werkgever uit de ondertekening van een kwitantie waarop de woorden ‘finale kwijting bij ontslag per 1 september 1983’ voorkwamen niet afleiden dat de werknemer vrijwillig instemde met de beëindiging.