Onderzoeksplicht werkgeverskant

Wanneer de werknemer niet wist wat hij ondertekende, waarbij een rol speelt dat hij de taal maar matig beheerst en hij ook niet begreep wat de gevolgen ervan zijn. Ook kan uit het passieve gedrag van een werknemer niet worden afgeleid dat er sprake is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Denk dan aan een situatie waarin een werkneemster een tevoren klaargemaakte aan haar gerichte brief tijdens een gesprek met de werkgever ondertekent ‘voor ontvangst’.

De onderzoeksplicht van werkgeverskant
Dat een werkgever er niet al te snel op mag vertrouwen dat een werknemer met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd; uit verklaringen of gedragingen van de werknemer moet duidelijk en ondubbelzinnig blijken dat hij met de beëindiging instemt.

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan dat er zelfs toe leiden dat er op de werkgever een onderzoeksplicht rust, dus dat hij zich er van moet vergewissen of de wil van de werknemer ook daadwerkelijk is/was gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Daarover heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitdrukkelijk uitgelaten in januari 1983.

Een werkgever had in dat geval een verklaring opgesteld waarin stond dat de betrokken werknemer van Marokkaanse afkomst die de Nederlandse taal slecht beheerste ‘zijn dienstverband beëindigt wegens een volgens hem drie maanden durend familiebezoek in Marokko’. Deze verklaring bevatte ook een eindafrekening. De betrokken werknemer stelde later dat hij niet wist dat het om een beëindiging van de arbeidsovereenkomst ging; hij dacht alleen een eindafrekening te hebben getekend.

De Hoge Raad oordeelt dat een werkgever met redelijke zorgvuldigheid moet nagaan of de werknemer heeft begrepen waar hij mee instemt. Ruim anderhalf jaar later maakte de Hoge Raad in september duidelijk dat een dergelijke onderzoeksplicht ook geldt bij een opzegging van werknemerskant. In dit geval was in de arbeidsovereenkomst een beding opgenomen waarin was neergelegd dat voor een afwezigheid van langer dan de opgebouwde vakantieaanspraken ontslag op verzoek van de werknemer nodig was.

Toen de betrokken werknemer langer naar Marokko wilde dan de omvang van zijn vakantieaanspraken toeliet, kreeg hij van zijn werkgever een brief die niet echt heel duidelijk was, maar waarin zijn opzegging werd bevestigd. De Hoge Raad oordeelt dat de werkgever uit het vertrek van de betrokken werknemer niet zonder meer had mogen afleiden dat de werknemer had opgezegd. Hij had moeten onderzoeken of dit ook de wens van de werknemer was.

Twee jaar later in september 1986 kon de Hoge Raad kenbaar maken dat de onderzoeksplicht niet alleen betrekking heeft op een buitenlandse werknemer die de Nederlandse taal niet goed beheerst. In dit geval ging het om een vrachtwagenchauffeur die na een vermoeiende werkweek als internationaal chauffeur op het bedrijf van zijn werkgeefster aankomt en die van mening was dat hij thuis zou worden